10 maal Eremetaal maart 2026


10 maal Eremetaal in maart 2026

AXE DRAGGER

Axe Dragger

(Ripple Music)
Horst Vonberg
85

Groeiplaten. Ze bestaan nog. De ouderen onder ons weten het vast nog wel. Van je zuurverdiende centjes die ene plaat kopen waar je nog nooit een noot van gehoord had maar via vrienden had gehoord dat het helemaal te gek zou zijn. En mocht de plaat in eerste instantie toch wat tegenvallen, draaide je ‘m rustig nog eens twintig keer totdat het kwartje viel en het kleinood uitgroeide tot een ware persoonlijke klassieker. Mij overkwam dat in de eerste helft van de jaren tachtig met albums van Mano­war (‘Into Glory Ride’), Mercyful Fate (‘Melissa’) en Exciter (‘Heavy Metal Maniac’). Hetzelfde ervaar ik nu weer met het titelloze debuut van Axe Dragger. Dit is een old-school heavy metalproject van Bob Balch (gitaar, Fu Manchu) en Pete Camp­bell (drums, ex-Pentagram). Beide heren waren al een tijdje bezig met het uitwisselen van muzikale ideeën, geïnspireerd door wat er rond 1981 gaande was in de metalwereld, zowel vanuit de traditionele hoek alsook de NWOBHM. Uiteindelijk was er zoveel materiaal voorhanden dat ze de hulp inriepen van Fredrik Isaksson (bas, Dark Funeral) en voormalig Pantera-zanger Terry Glaze om de boel te stroomlijnen en voor het nageslacht vast te leggen. Nu was ik aanvankelijk niet heel erg onder de indruk. Toege­ge­ven, ik had er niet de volle aandacht bij en dacht te maken te hebben met de zoveelste Judas Priest-kloon. Maar naarmate het aantal draaibeurten opliep werd ik steeds dieper de sfeervolle vortex ingezogen die ‘Axe Dragger’ stiekem is. Door de tamelijk geniale mix van heavy metal uit eind jaren zeventig en begin jaren tachtig, gelardeerd met toefjes spacerock en stoner weet de band een heerlijke sfeer te creëren. Gruizig maar helder tegelijk, met een prima groove en pakkende hooks. Gitaar­solo’s zijn daarbij geen optie, maar een vereiste. Ook de open productie pakt goed uit. In tegenstelling tot veel hedendaagse producties is de sound niet van onder tot boven dichtgesmeerd, maar is er genoeg ruimte om de muziek te laten ademen, wat de dynamiek ten goede komt. Luister op je gemak maar eens naar de rappe nummers „Iron Rider” en „El Toro”, of stap in bij de meer epische klinkende tracks „Eat Me From The Inside” en „Death Is Calling My Name”. Dat zou je moeten overtuigen.


THE BLACK CROWES

A Pound Of Feathers

(Silver Arrow Records)
Stan Novak
82

De comebacktour was een succes, het daarop volgende album ‘Happiness Bastards’ voldeed aan de hoge verwachtingen en nu is er ‘A Pound Of Feathers’, de tiende Black Crowes-studioplaat, dan wel de elfde als je het ‘Before The Frost, Until The Freeze’-tweeluik als twee separate albums beschouwt. En ook deze nieuweling stelt allerminst teleur. Het robuuste karakter van de band ligt rotsvast verankerd in de elf songs die het album rijk is. Dam­pende tracks als „Blue Streak” en „Do The Parasi­te!” weten eenzelfde sfeer op te roepen als het bejubelde doorbraakalbum ‘The Southern Harmony And Musi­cal Companion’. De chemie is er nog steeds. Niet alle songs zijn sterk, maar vullertjes kom je ook niet tegen. Een speels liedje als „High And Lonesome” had beter gepast op een plaat van Chris Robinson Brotherhood. Een ouderwets mijmerend tussendoortje als „Queen Of The B-Sides” is dan weer op en top The Black Cro­wes en het kwieke „It’s Like That” swingt als een tiet en nodigt uit tot ouderwets meezingen. Gelukkig zijn de Led Zeppelin-invloeden in het gitaarwerk behouden gebleven en heeft menig riff een behoorlijke Jimmy Page-vibe. Luister maar eens naar „Blood Red Regrets” en „Eros Blues”. ‘A Pound Of Feathers’ is een prima plaat waarop de broers zich van hun beste kant laten horen. Van enige vorm van sleet is duidelijk nog geen sprake.


EXHUMED

Red Asphalt

(Relapse Records)
Wouter Dielesen
85

Een themaplaat over de Amerikaanse autoweg. Geef de heren van Exhumed een onderwerp en ze maken er iets smerigs van, gegarandeerd. Zo ook met ‘Red Asphalt’, het negende studioalbum van de band uit San Jose, Californië. Elk van de tien songs handelt over wat de groep omschrijft als ‘een plek die je naar het ziekenhuis of het graf kan brengen, op meer manieren dan je je kunt voorstellen’. De muzikale formule – gevangen in de term ‘gore metal’ – borduurt voort op waar Carcass eind jaar tachtig mee begon. Dat doet Exhumed met een goed gevoel voor pakkende songs, grooves, gelijke verhoudingen death metal en grindcore, de snerpende screams van gitarist Matt Harvey en de growls van bassist Ross Sewage. Bijgestaan door drummer Mike Hamilton en gitarist Sebastien Philips stuwt de band songs als „Shock Trauma”, „The Iron Graveyard”, „Crawling From The Wreckage” en singles „Unsafe At Any Speed” en „Shovelhead” naar grote hoogten. De plaat kan zich meten me het beste werk van de groep. Die toert in april trouwens een maand lang met Gruesome door Europa, inclusief een show in het Tilburgse rockcafé Little Devil. Of dat optreden doorgaat hangt af van de situatie op de weg. Daar ligt het gevaar tenslotte altijd op de loer.


JOEL HOEKSTRA’S 13

From The Fade

(Frontiers Records)
Wim Rueter
80

Je kunt je afvragen waar gitarist Joel Hoekstra de tijd vandaan haalt om óók nog een soloalbum te maken. Zijn uitgebreide cv vermeldt huidige betrokkenheid bij onder meer Trans-Siberian Orches­tra, Cher en Whitesnake, al lijkt laatstgenoemde band door de pensionering van David Coverdale niet langer actief. Hoe dan ook, voor ‘From The Fade’ heeft Hoekstra zich omringd met een indrukwekkend gezelschap doorgewinterde muzikanten. Op bas horen we Tony Franklin (onder meer Blue Murder en The Firm), achter het drumstel zit Vinny Appice (Black Sabbath, Dio), op de keyboards vinden we Derek Sherinian (Dream Theater, Sons Of Apollo). De zang wordt verzorgd door Girish Prad­han van Girish And The Chronicles. Het album is een uitgebalanceerde mix van moderne en klassieke hardrock: solide, veelzijdig en versterkt door de krachtige zang van Pradhan en de opzwepende, strakke drumpartijen van Appice. Dat het gitaarwerk overtuigt, behoeft nauwelijks uitleg. Hoekstra verliest zich nergens in overdadige krachtpatserij. Het lied staat duidelijk centraal, iets wat ook in zijn smaakvolle solo’s goed hoorbaar is. Hoogtepunten zijn de energieke opener „You Can Give” en het iets commerciëlere maar bijzonder sterke „Lifeline”. De absolute uitschieter is „The End Of Me”, een stevig, slepend nummer met een heerlijke versnelling richting het einde. Jammer genoeg is de kans groot dat de songs van ‘From The Fade’ nooit live te horen zullen zijn. Hoe moeten deze muzikanten, als drukbezette zelfstandigen, een gezamenlijke tour of zelfs maar één optreden inpassen? Het is niet anders. We zetten ‘From The Fade’ simpelweg nog eens op.


LAMB OF GOD

Into Oblivion

Century Media Records
Robbie Woning
85

Al bij de eerste tonen van ‘Into Obli­vion’ wordt duidelijk dat de tiende van Lamb Of God niet zomaar een volgende plaat is. Het nieuwe album heeft een geweldig vette en ruimtelijke mix en spreekt ook muzikaal direct aan. De Amerikaanse band sleutelde vier jaar aan de opvolger van ‘Omens’ en heeft in die periode zijn geluid behoorlijk verdiept en verbreed. De vette riffs van Mark Morton en Willie Adler vormen nog altijd de ruggengraat, maar tegelijkertijd klinkt de muziek opener en afwisselender dan voorheen. Dit is zeker ook een verdienste van frontman Randy Blythe, die naast zijn kenmerkende boze strot ook geregeld andere stemgeluiden inzet. De vooruitgesnelde singles „Parasocial Christ” en „Sepsis” waren weliswaar loeihard, maar de band laat zich op de plaat ook van andere kanten horen. Zo komt met „El Vacio” een ballad-achtig en melancholiek gezongen nummer voorbij. Ook „St. Catheri­ne’s Wheel” is sterk, dankzij het mooi gedoseerde muzikale geweld en de spannende toonsoortwisselingen. En dan is er nog „Blunt Force Blues”, dat door heerlijke, stuwende riffs en een groots refrein gedragen wordt. Ook de andere tracks, zelfs op het eind van de plaat, zijn opvallend goed. Ik kan me voorstellen dat sommige fans van het eerste uur zullen vinden dat de band met alle beukriffs en breakdowns soms wat te veel op de moderne metalcoretoer gaat. Maar daar tegenover staan op deze plaat ook een hoop kenmerkende Lamb Of God-momenten.


MAMMON’S THRONE

My Body To The Worms

(Hammerheart Records)
Stephan Gebédi
80

Het Australi­sche Mam­mon’s Thro­ne speelt een vrij bijzondere mix van doom, black en death metal. Gave Can­dlemass- en My Dying Bride-achtige riffs worden afgewisseld met meer black metal-achtige stukken. Dat geldt ook voor de zang. Matthew Miller wisselt rauwe zang af met gedragen cleane stukken en van alles er tussenin. Ofschoon zijn cleane zang niet altijd even stabiel en toonvast is, zorgt het wel voor veel afwisseling en een interessante luisterervaring. Het vijftal weet op ‘My Body To The Worms’ een lekkere, donkere sfeer te creëren en dat is natuurlijk precies de bedoeling van dit soort muziek. De volle productie draagt hier ook aan bij. Missie geslaagd.


MICHAEL MONROE

Outerstellar

(Silver Lining)
Jordan Stael
85

Voormalig Hanoi Rocks- zanger Mi­chael Mon­roe heeft zijn draai als soloartiest al jaren geleden helemaal gevonden, getuige het ene na het andere sterke album. Al is ‘solo’ eigenlijk al lang niet meer van toepassing, noem het maar gewoon een stabiele band. ‘Outerstellar’ is namelijk alweer het vierde album op rij dat Monroe heeft gemaakt met bassist Sami Yaffa, gitarist Steve Conte, gitarist Rich Jones en drummer Karl Rockfist. Net als ‘Blackout States’ (2015), ‘One Man Gang’ (2018) en ‘I Live Too Fast To Die Young’ (2022) is het weer een sterke plaat die muzikaal grofweg het midden houdt tussen Guns N’ Roses, The Clash, New York Dolls en – vanzelfsprekend – Hanoi Rocks. Mochten Slash en Axl Rose naar de eerste drie nummers luisteren („Rockin’ Horse”, „Shinola” en „Black Cadillac”) dan zullen ze zich vertwijfeld afvragen waarom zij zulke opzwepende sleazerocktracks niet meer uit hun vingers krijgen. Wat een toptracks! Toege­ge­ven, het extreem hoge niveau wordt niet het hele album vastgehouden, maar ook op ‘kant B’ zijn geen missers te vinden. Alle twaalf nummers zijn het beluisteren meer dan waard, skippen is op ‘Outer­stellar’ niet nodig. Dit is dé zomerplaat van 2026!


NMB

L.I.F.T.

(InsideOut Music)
Ivar de Koning
85

Vrijwel elk album van de Neal Mor­se Band, tegenwoordig kortweg NMB genoemd, mag een meesterwerk worden genoemd. Want zelfs als een album tegenvalt, dan nog ligt het niveau vele malen hoger dan bij de meeste andere bands in het progrockgenre. Met ‘L.I.F.T.’ blijven Neal Morse en consorten mooi tussen die pieken en dalen hangen. Het album heeft wederom hoogtepunten, maar over de hele linie springen te weinig nummers er écht uit. Daar komt bij dat de band zichzelf niet meer weet te vernieuwen. Is dat erg? Als trouw luisteraar van al het werk van de Neal Morse Band zeg ik nee, maar als iemand die graag nieuwe paden betreedt zeg ik ja. Opener „Beginning” maakt het dilemma meteen duidelijk. Een heerlijk nummer, maar we hebben dit al veel vaker van deze heren gehoord. Datzelfde geldt voor het andere hoogtepunt: slotnummer „Lova All Along”, dat grossiert in hoogstandjes, maar moeiteloos kan worden ingewisseld met de climaxen van eerdere albums. Tussen die opener en afsluiter valt er veel te ontdekken. Wat wil je ook met fenomeen Mike Portnoy op de drums en rasmuzikant Eric Gillette op gitaar/zang. Niet­te­min is de Neal Morse Band dit keer bij tijd en wijle iets minder spannend. Erg of niet, ‘L.I.F.T.’ is jaarlijstmateriaal!


SYLOSIS

The New Flesh

(Nuclear Blast Records)
Renée van der Ster
82

‘Sylosis’ is eigenlijk Josh Middle­ton. De 40-jarige Brit is behoorlijk behendig met zowel snaren (tussen 2017 en 2023 tevens bij Archi­tects) als toetsen en hij weet ook zijn strot op talloze manieren te gebruiken. Daarnaast laat hij zich tekstueel veelal inspireren door angstaanjagende – haast dystopische – wereldbeelden en dat hoor je behoorlijk terug in de muziek. Die soms vrij technische muziek laat zich niet gemakkelijk vangen. Noem het (melodieuze) death/thrash, metalcore of melancholisch – het is allemaal van toepassing. En eigenlijk mogen de in iets mindere mate aanwezige groovy crossoverinvloeden van Slipknot en Pantera ook niet onvermeld blijven. Middleton kent zijn klassiekers (Metallica, Testament, Killswitch Engage) en weet deze kennis al vanaf debuut ‘Conclusion Of An Age’ (2008) ongelooflijk creatief te benutten. In de loop der jaren is Sylosis van pure melancholie en gelaagdheid naar een veel meer in-your-face agressief thrashgeluid verschoven. En ook dat mag er zijn. Op ‘The New Flesh’ horen we zowel melancholie in een ‘core’-jas („Erase”, „Lacerations” en „Adorn My Throne”) als hier en daar een breakdown. Maar ook enkele regelrechte, agressieve thrashers („Spared From The Guillotine” en de titelsong). Enige minpunt is het zachte ei „Everywhere At Once”. Deze ‘ballad’ haalt de juist zo lekkere vaart eruit. Op dit ene nummer na heeft die Middleton het echter goed begrepen.


VREID

The Skies Turn Black

(Indie Recordings)
Wim Strijbosch
85

Zoals bij insiders bekend is het Noorse Vreid de voortzetting van de band Windir; een band die werd opgeheven na het tragisch overlijden van zanger Valfar. Inmiddels bestaat Vreid uit vier leden die allen ook ooit deel uitmaakten van Windir. Waar de band in 2004, ten tijde van debuutalbum ‘Kraft’, nog primair werd gezien als black metalband, is Vreid in de loop der jaren steeds meer geëvolueerd naar een band die een eigen genre heeft ontwikkeld: sognametal. Sogna is het gebied in Noorwegen waar de mannen vandaan komen. Hun muziek is te omschrijven als een mix van black metal, traditionele heavy metal, pagan metal en rock-’n-roll. Op ‘The Skies Turn Black’ hebben de heren het genre nóg verder geperfectioneerd. Opener „From These Woods” maakt dat al direct duidelijk: van een lieflijk piano-intro tot razendsnelle riffs en krijszang in de coupletten en een midtempo beukstuk in het midden, wat ook nog eens voorzien is van meerstemmige zang. De navolgende titelsong is een typisch Vreid-nummer, waarin de muziek als vrij toegankelijke metal klinkt, maar de krijszang van Sture daar een echt black metalsausje overheen giet. Na het snelle black-’n-rollgevaarte „A Second Death” is „Kraken” de vreemde eend in de bijt; een instrumentaal, welhaast klassiek nummer dat gebruikt is als muziek in de gelijknamige film. Maar ja, wat is een vreemde eend als je vervolgens met „Loving The Dead” een acht minuten voortkabbelend epos met vrouwenzang van Agnete Kjølsruderv (Djerv) presenteert dat je herlijk laat wegdromen. Met „Chaos” en „Flammen” schudt Vreid iedereen weer wakker met harde, snelle riffs om vervolgens nog eens te verrassen met het ultrarelaxte „Echoes Of Life” dat zo rustig is dat je de hoes van het album even checkt of dit nog wel Vreid is waar je naar zit te luisteren. De afsluitende stamper „The Earth Rumbles” laat daar echter geen misverstand over bestaan: dit is Vreid. In al zijn facetten. Wat een interessante band is het toch!